Met friet campagne voeren?
In dit artikel:
Een lokaal verkiezingsbericht over een partij die onder het label "Friet to Meet" op straat friet bakte om met bewoners te praten, riep bij de schrijver meteen vragen op over regels en gelijkheid. Politici moeten zichtbaar zijn en het gesprek aangaan met inwoners — daar is niets mis mee — maar het openlijk bakken en uitdelen van eten in de openbare ruimte roept praktische en juridische kwesties op: ondernemers moeten doorgaans voldoen aan vergunningen, meldingen, voedselveiligheidsvoorschriften, aansprakelijkheidsregels en gemeentelijk handhavingbeleid.
De kern van de klacht is oneerlijkheid: tijdens campagnetijd lijken activiteiten die voor reguliere horecaondernemers aan strikte voorwaarden zijn gebonden soms soepel te worden gedoogd wanneer het om sympathieke politieke acties gaat. Dat voelt als één maatstaf voor politici en een andere voor gewone ondernemers die hun vergunningen en administratie op orde moeten hebben omdat hun inkomen ervan afhangt.
De auteur erkent dat het mogelijk is dat alles keurig geregeld was — er had een melding kunnen zijn gedaan of er bestond een juridische basis — maar stelt dat het gaat om de perceptie en het principe. Als partijen lokaal ondernemerschap belangrijk vinden, moeten ze dat niet alleen roepen maar laten zien dat ze de praktische realiteit van ondernemers begrijpen en dat regels consequent voor iedereen gelden. Friet is populair en verbindend, maar voor veel mensen is het ook hun beroep en bestaan; politiek ondernemerschap betekent dus ook eerlijkheid in de toepassing van regels.